Bestel deze publicatie
annuleerbestel

Geef ze een vinger en ze willen de hele hand

De toepassing van handpalmafdrukken voor de opsporing en vervolging

Geef ze een vinger en ze willen de hele hand
  • Jaar van uitgave 2017
  • 260 pagina's
Auteur:Marijke Malsch, Bas de Wilde, Tom van den Berg, Mark Hornman, Lonneke Stevens en Marre Lammers
Reeks:Amsterdam Institute for Law and Behavior (A-LAB)
Rubriek: Juridisch Strafrecht
Icon_printbook 978‐94‐6290‐435‐4 | paperback | 1e druk | € 48,00

Op de plaats waar een delict is gepleegd worden dikwijls afdrukken van vingers en handpalmen aangetroffen. Omdat deze afdrukken voor iedere persoon in hoge mate uniek zijn, kunnen zij van groot belang zijn voor de opsporing en het bewijs. Om een aangetroffen spoor van een vinger of handpalm aan een verdachte te kunnen koppelen, is het noodzakelijk om van die persoon een vinger- of handpalmafdruk te nemen. Daarom neemt de politie vaak vingerafdrukken van verdachte personen. De aangetroffen vingersporen en genomen vingerafdrukken worden in databanken opgenomen en vergeleken met eerder afgenomen sporen en afdrukken.

De wet maakt een onderscheid tussen vingers en handpalmen. Vingerafdrukken mogen standaard worden genomen bij vrijwel iedere verdachte die door de politie wordt verhoord. Handpalmafdrukken mogen daarentegen niet standaard worden genomen. Dat mag alleen op bevel van een offi cier van justitie en er moet ook een ‘onderzoeksbelang’ zijn. Dat roept vragen op. Waarom zijn er verschillende wettelijke regelingen voor het nemen van vingerafdrukken en handpalmafdrukken? Is standaardafname van handpalmafdrukken verenigbaar met het recht op privacy (art. 8 EVRM)? Kan de wettelijke regeling of de toepassing daarvan wellicht op bepaalde punten worden versoepeld? Welke rol spelen handpalmafdrukken in de praktijk, zowel in vergelijking met vingerafdrukken als met andere typen forensisch bewijs? Bieden zij een meerwaarde ten opzichte van andere mogelijkheden tot sporenonderzoek?

Dit boek bespreekt het onderzoek dat naar deze vragen is gedaan in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC). Het onderzoek is uitgevoerd door een interdisciplinair team van onderzoekers van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en de sectie Strafrecht van de Vrije Universiteit Amsterdam.